Titel: De monniken
Bekend onder andere titels: Er waren twee monniken
Auteur: ?
Songtext:

Er waren twee monniken Hans en Joop,
in een klooster op een heuvel.
Zij sleten hun tijd, en dat was een hoop,
Met sigaren, wijn en gekeuvel.

Zij spraken over Jeruzalem,
En loofden de Heer met psalmen.
Zo kon je hans 'eerst' en Joops tweede stem,
Over de omtrek horen galmen.

Soms gingen ze naar het dorp benee,
Om daar de Heer te loven.
Daar stemden ze op de K.V.P.,
En gingen dan weer naar boven.

Er klopte daar een meisje aan,
Dat hebben ze opgenomen.
Want ze misten bij het zingen een goede sopraan,
Daar ze zelf niet zo hoog konden komen.

Zij wasten hun kleren, witgoed en bont,
En maakten hun nieuwe sandalen.
In 't klooster ging de wijnfles rond,
In 't dorp de roddelverhalen.

Het meisje begreep het, en in heengegaan,
Na een afscheid met veel tranen.
Hans gaaf haar een hand, wat hij nooit had gedaan,
En Joop voor de reis wat bananen.

Toen zongen ze die avond een lied,
Een lied, dat sneed door je mergen.
Het meisje hoorde dat nog net,
En antwoorde over de bergen.

Toen kwam er een man uit het dorp, op de fiets,
Die zei: "Zo kunnen we 't niet laten,
Dat meisje moet terug, anders hebben we niets,
In het dorp om over te praten.

Zo zingen ze samen weer in koor,
En wast ze weer hun kleren.
En ze krijgen er zelfs subsidie voor,
Want Gods kind'ren zijn rare beren.