Titel: Ach hoe zielig
Auteur: Jules de Corte
Songtext:

Een juffrouw bakte frikadel
Al op een petroleumstel
En plotseling daar ging de bel
Het was des buurmans gade
De jongste spruit heel bijdehand
Vond juist die vlam heel interessant
De volgende dag stond in de krant;
Verzekering dekt de schade

Refrein:
Zo gaan we met z'n allen naar de bliksem toe
Je weet alleen niet zeker waar, wanneer en hoe
Maar wat doet het er toe
Ach hoe zielig!

Een zekere Brown, Amerikaan
Zou met zijn Ford uit rijden gaan
Maar halverwege bleef hij staan
Hij kon niet verder varen
Heel misnoegd stapt hij toen uit
Een brandend peukje in zijn snuit
Hij keek in de benzinetuit...
Zijn leeftijd dertig jaren

Refrein

Een tractor met een boer bemand
Ploegde een bunder akkerland
Maar bij het draaien langs de kant
Geraakte hij de water
Zijn voeten raakten daarbij klem
Tussen het stuurwiel en de rem
Hij riep, maar niemand hoorde hem
Zijn lijk vond men wat later

Refrein

Een overweg in dikke mist
Er kwam een automobilist
Hij had zich niet goed vergewist
En reed met vol gas henen
Maar ook was er een dieseltrein
Te zelfder tijd op dat stuk lijn
Ze bleken er gelijk te zijn
Van marmer was de grafsteen

Refrein

Een sleepboot had een reuze sjouw
En vorderde niet al te gauw
Dus bond de stuurman met een touw
De veiligheidsklep stevig
Maar bij het wachten in de sluis
Vergat hij het touwtje per abuis
De stuurman ging niet meer naar huis
De klap was nogal hevig

Refrein

Een oude man uit Gaasterland
Die nam een bronzen vaas ter hand
En sloeg niet zonder tegenzin
Zijn goede vrouw de hersens in
Toen men hem daarop arresteerde
En naar de reden informeerde
Zei hij zonder plichtplegingen:
"Uit schoonheidsoverwegingen"

Refrein

Een jongeman uit Bennekom
Vond in zijn tuin een vliegtuigbom
Hij nodigde al zijn vrienden uit
Om 't ding te demonteren
Op de begrafenis verscheen
Van de genode vrienden geen
Zij lagen met een versplinterd been
Dat kwam van 't exploderen

Refrein

Een stoomboot op de oceaan
Als proviand nog een banaan
De bemanning sprak de fles reeds aan
En doodde de tijd met kaarten
Maar toen de nood kwam aan de man
Greep ieder wat hij grijpen kan
De kok die greep het onderspit
en werd eraan geregen

Refrein

Een rijkaard zat een aan de dis
En at een rotte schelvis
Hoewel dat niet vergiftig is
Kreeg hij er daarna wat last van
De pijn sloeg over op z'n gal
Hij geloofde aan God en niemendal
Hij werd verbrand met kist en al
De weduwe heeft de as nog

Het CRM-departement
Schonk een poŽet uit Sas van Gent
Een reisbeurs van wel tachtig cent
Als lof voor zijn kwatrijnen
De dichter sprak die roem is vuil
En stiet een broodmes door zijn muil
Aan 't graf snikte toen meneer den Uyl:
Die kunst mag niet verdwijnen!

Refrein